Portret van de zee als vieze oude man
Voor Jeroen Zijlstra
Ik lig hier maar te liggen. Ja, daar komt het toch op neer? Als ik het vergelijk met mijn broer in Noorwegen! Fjorden, baaien, rotsen: die heeft volop om z’n tanden in te zetten, die kan elke dag laten zien dat hij kloten heeft. Of neem mijn zwager in Griekenland, bij hem komt er tenminste nog weleens een nymf uit het schuim opduiken. Lekkere stoten moeten dat zijn, nymfen. En dan heb ik het maar niet over mijn achterneef - ze noemen ’m De Rooie - die stampvol koralen en dolfijnen zit. Koralen en dolfijnen, dat betekent grietjes in rubber duikpakken. Van die chicks die door een snorkel hijgen die ze all the way in hun keelgat hebben geperst. Wowowow.
Wacht even, effe een fluim eruit gooien. Doe ik altijd als ik iemand op het strand zie lopen. Een grote, gele fluim, met een plas teer erachteraan. Hoppettee, raak.
En wat heb ík? Kokkels en kwallen. Palingen heb ik ook, natuurlijk, maar die doen het in de Sargasso Zee, bij mijn oom. Ouwe rukduck, oom Sar. Zit er de hele dag met z’n neus bovenop als die palingen tekeer gaan... Maar wat ik dus bedoel, er is in deze branche een hoop valse romantiek. Een leek denkt dat het louter zonsondergang is wat hier de klok slaat, een roseetje erbij, en maar zwelgen. Nou, de werkelijkheid is een stuk minder.
Maar nou loopt die wandelaar nog steeds over het strand! Hang on, even nóg iets oprochelen om die klootviool kwijt te raken.
Vroeger was het anders, toen was er altijd wat te doen. Ik wil niet opscheppen, maar ik heb menige visserman naar de gallemiezen geholpen, in de tijd dat die nog voeren op scheepjes die ik als een lucifershoutje doormidden kon breken. Je had toen ook nog eerlijke drenkelingen, heerlijk was het om die naar de bodem te sleuren en daarna levenloos op het strand te smijten. Dat was vóór het verplichte schoolzwemmen, vóór de Deltawerken ook. Van mij hadden ze een eind mogen optiefen met die Deltawerken die een gecastreerde kater van me hebben gemaakt. Zeg nou zelf, zoiets als in 1953, dat maak ik niet meer klaar. Stukken piepschuim en lege plastic flessen laten aanspoelen: dat is het enige waarvoor ik nog goed ben.
Krijg het nou, het is een oud wijf dat daar langs de vloedlijn loopt. Jongejonge, wat een graftak, ze is minstens veertig. Graaf een gat en ga erin liggen, zou ik zeggen. Gelukkig dat het een gure dag is, houdt ze haar kleren tenminste aan. Er is niets waar ik zo de pest aan heb als aan bejaarde taarten die alles uittrekken. Laten ze hun spataderen bedekt houden, en hun fleptieten en hun uitgelubberde kont. Als ze gaan zwemmen, is het helemaal afzien. Dan gaan die drillende dijen wijd uit elkaar, en piept er aan weerskanten van het kruis van hun badpak een pluk grijs schaamhaar tevoorschijn, net een schuurspons. En dan moet ik ze daar zeker een beetje kietelen, omdat niemand anders dat meer doet.
Je zou d’r moslim van worden, van die middelbare mutsen. Een bourka er overheen en iedereen zou weer opgelucht ademhalen.
Weet je wat het is? Vroeger trokken ze een donkerblauwe terlenka jurk tot op hun kuiten aan als ze niet meer toonbaar waren, en dan had je er verder geen last van. Ze deden hun haar in een knot en gingen met de Libelle in een strandstoel zitten om te bestuderen wat ze hun gezin ’s avonds eens aan gezellige sudderlappen zouden voorzetten.
Maar tegenwoordig denken ze dat ze hun eigen suddervlees nog steeds in het openbaar kunnen opdienen. Holy fuckeroni, mensen, let’s get real: zelfs tegen betaling hangt een vent ‘m er niet meer in, in zo’n belegen stoofpot.
Tuurlijk, er zijn er ook bij die er nog iets van proberen te maken. Botoxje, lipo’tje, een paar zakken siliconen - alleen blijven het toch opgelapte nijlpaarden. Op een gegeven moment valt er gewoon niks meer te corrigeren, geen ooglid, geen schaamlip, geen hanghals. De zwaartekracht is onverbiddelijk. Dat is het hele punt: de natuur wint altijd.
Burp. Sorry, er zat iets dwars in m’n keel.
